Het ontbreken van bewijs is niet hetzelfde als bewijs dat iets niet werkt
7 juli 2026
Volgens orthopedagoog Esther Monfils brengen ouders en docenten steeds vaker pseudowetenschap het klaslokaal binnen. Haar uitspraken in Trouw vragen om een reactie.
Het interview met orthopedagoog Esther Monfils in Trouw gaat over wat zij ‘pseudowetenschap’ noemt. Mijns inziens slaat zij hiermee de dingen wel erg plat. Natuurlijk moeten we kritisch zijn op onbewezen claims, commerciële hypes en methoden die kinderen valse hoop geven. Ook wij vinden dat kinderen onderwijs verdienen dat zorgvuldig, verantwoord en kritisch is. En rechtvaardig.
Maar wie het debat reduceert tot een tegenstelling tussen ‘wetenschappelijk bewezen’ en ‘pseudowetenschap’, doet de werkelijkheid toch echt tekort.
Helaas verkeert het onderwijs in zwaar weer als het gaat om kinderen binnenboord te kunnen houden. Dit is een optelsom van vele jaren van tegenstrijdige onderwijsvisies en het ontbreken van financiële middelen.
Vanuit Impuls & Woortblind zien wij iedere dag kinderen die ondanks alle reguliere ondersteuning vastlopen. Leerkrachten, intern begeleiders en ouders zoeken daarom naar methodes en/of interventies om een kind weer in beweging te krijgen en het een veilige leeromgeving te bieden. Dit doen zij niet omdat zij de gebruikte evidence based methodes wantrouwen, maar omdat zij weigeren te accepteren dat een leerling de aansluiting met de lesstof dreigt te verliezen, of erger: uitvalt en thuis komt te zitten.
En hier schuurt de toon in dit verhaal. Er lijkt een sfeer te worden gecreëerd waarin alles wat nog niet overtuigend wetenschappelijk is onderzocht, wordt weggezet als verdacht. Dat is geen kritisch denken; dat is een versmalling van onderwijsvisie.
Er bestaat een belangrijk onderscheid tussen onvoldoende onderzocht, niet bewezen en aantoonbaar ineffectief. Dat onderscheid doet ertoe, omdat de wetenschap alleen kan beoordelen wat ook echt is onderzocht. Het ontbreken van bewijs betekent niet automatisch dat iets niet werkt; het kan ook betekenen dat er simpelweg nog onvoldoende onderzoek naar is gedaan. De geschiedenis van onderwijs en zorg laat bovendien zien dat veel waardevolle inzichten juist in de praktijk zijn ontstaan. Professionals signaleren patronen, proberen interventies uit, delen ervaringen en pas soms lang daarna volgt er eens een systematisch onderzoek. Zo ontwikkelt kennis zich. Wetenschap en praktijk zijn geen concurrenten, maar aanvullende partners.
Dat betekent niet dat iedere ervaring automatisch waar is. Ervaringen moeten kritisch worden bekeken en onderzocht. Maar het omgekeerde geldt net zo goed: wetenschappelijk kijken betekent niet dat je praktijkervaringen op voorhand te diskwalificeert.
Bij Impuls & Woortblind hebben we veel contact met volwassenen en (ouders van) kinderen met dyslexie en andere vormen van neurodiversiteit. Juist deze kinderen laten zien dat een standaard ondersteuningsbehoefte niet altijd voldoende is. Wat voor de ene leerling werkt, werkt voor de andere niet. Het vraagt kennis en begrip en eigenzinnigheid om het ‘nieuwe denken’ te durven aangaan.
Wat zorgen baart, is dat de zoektocht naar wat kinderen helpt steeds vaker een morele lading krijgt. Alsof professionals die buiten de gebaande paden durven kijken per definitie onwetenschappelijk en lichtzinnig bezig zijn. Dat zorgt voor een cultuur waarin mensen minder snel vragen durven stellen, minder snel ervaringen delen en minder veilige ruimte voelen om zich kritisch te uiten.
Een gemiste kans voor al die kinderen die meer verdienen. Want wetenschap is nooit af. Iedere nieuwe ontdekking begint met een vraag, een observatie of een praktijkervaring die er nog niet was. Onze observaties van vandaag kunnen de wetenschap zijn van morgen. Maar daarvoor moet er wel een systeem zijn dat ons toelaat om nieuwsgierig te kunnen kijken én eigenzinnig te durven onderzoeken.
